Heibos

 

Projectnummer 9924

Conservators Jaak Geebelen & Iwan Lewylle

Gemengd loofbos, vochtige weilanden, hoogstamboomgaard, vijver.
Oppervlakte van een 70-tal hectaren.
Vrij toegankelijk op de paden.
Gelegen aan de zuid-oostelijke kant van Hoeleden.

Het Heibos

In 2000 werd Natuurpunt de nieuwe eigenaar van het Heibos in Hoeleden. Met z’n 70 ha was dat meteen het grootste gebied dat Natuurpunt ooit in één keer kocht in Vlaams-Brabant. Het gebeurt slechts zeer uitzonderlijk dat men zulk een prachtig aaneengesloten natuurgebied in één klap verwerft.

Een complex van bossen en graslanden
Het Heibos ligt in Kortenaken (Hoeleden) langsheen de bovenloop van de Paardenbeek die hier een kleine vallei heeft uitgeschuurd. Het reservaat bestaat uit twee grote bossen verbonden door een centrale weide. Rondom het kerngebied liggen voornamelijk akkers, weilanden en enkele kleinere veldbosjes. Ongeveer de helft van het reservaat bestaat uit bos, de rest zijn weilanden en voormalige akkers die nu zijn omgezet naar grasland.

Kleiige bodems
De bodem van het Heibos bestaat voornamelijk uit leem en zandleem met enkele zandige opduikingen op de hellingen. Op de hellingen komt ondiep een compacte kleilaag voor. Het toponiem ‘Pottelberg’ verwijst naar deze kleilaag.
In het Heibos en de omgeving ervan werd deze klei ontgonnen voor het vervaardigen van pannen.
Deze kleilaag zorgt dat de bodems tijdens de winter nat zijn en tijdens de zomerperiode kurkdroog. Een drietal lenzen van zware klei komen naast de zandopduikingen aan de oppervlakte. Door de ondiepe kleilaag komen verspreid stuwwatergronden en tijdelijke bronnen voor, die aanleiding geven tot het ontstaan van de Paardenbeek. De vegetatie is duidelijk gerelateerd aan de bodem- en vochtgesteldheid. Valleibos en weilanden vinden we op de vochtigere gronden, langsheen de Paardenbeek. De drogere gronden worden vooral als akker gebruikt met een tussenstap voor het hoger gelegen bos dat zich bevindt op de matig vochtige bodems.

Eén van de laatste bosrelicten
De natuurwetenschappelijke waarde van dit nieuwe reservaat scoort zeer hoog. Ten behoeve van de landbouw werden de bossen ten noorden van Tienen sinds vorige eeuw massaal ontgonnen. Ook de voorbije decennia offerde men nog massaal natuurgebieden op aan de steeds intensiever wordende landbouw. Dit kon enkel nadat gevorderde draineringtechnieken met behulp van gesubsidieerde campagnes werden ingezet. Want in principe betreft het hier onvruchtbare, periodiek natte ‘stuwwatergronden’ vanwege de slecht doorlaatbare kleilaag in de ondergrond. Daarom bleef dit deel van het Hageland tot een heel eind in vorige eeuw grotendeels bebost. Volgens sommigen betreft het de restanten van het historische ‘kolenwoud’ dat zich ooit over Midden-België uitstrekte. Het Heidebos, het Schotsebos, het Gasthuisbos, het Rukenbos en het Oudenbos zijn nu de laatst overgebleven snippers ten noorden van Tienen. Ondanks de beperkte oppervlakte herbergen deze bossen een merkwaardig hoge diversiteit, gebonden aan oude en gerijpte ecosystemen. Een duurzame bescherming van de nog overgebleven bosflora en -fauna verdient daarom een zeer hoge prioriteit.

Mesofiele bossen
Het hoger gelegen bos in het Heibos bestaat uit een voedselarm Eikenbos, overgaand in een voedselrijker Eiken-Haagbeukenbos. We vinden hier wel nog variaties in natuurlijkheid tengevolge van de aanwezigheid van exoten zoals Amerikaanse eik en Amerikaanse vogelkers. Opvallend is de beperkte ouderdom van het bomenbestand. Enkele Tamme kastanjes en Amerikaanse eiken hebben een iets oudere leeftijd. De Zomereiken behoren ongeveer allemaal tot dezelfde leeftijdsklasse (ongeveer 50 jaar). Hulst is zeer verspreid te vinden in kleine aantallen. Bramen en Adelaarsvaren zijn plaatselijk dominant. Opvallend is de aanwezigheid van Bosanemoon. Ongeveer de helft van het bos is in het vroege voorjaar bedekt met een wit tapijt van Bosanemoon. Andere voorjaarssoorten zijn Meiklokje, Salomonszegel, Gele dovenetel en Dalkruid. De kruidige vegetatie bestaat verder uit o.a. Zachte witbol, Bochtige smele, Bosandoorn, Kruipend zenegroen, Veelbloemige en Ruige veldbies, Witte klaverzuring, Heksenkruid en Geel nagelkruid. Op iets nattere plaatsen (stuwwater) komen ook Egelboterbloem, Dubbelloof, Zomprus en Beekpunge voor. Opvallend langs de wegen, lanen en open plekken in het bos is de aanwezigheid van Pilzegge, Brunel, Gewoon reukgras, Tijmereprijs, Veelbloemige veldbies, Tormentil, Duizendguldenkruid, Struikheide, Fraai hertshooi, Blauwe bosbes en Pijpenstrootje. De restanten van Struikheide zijn momenteel vooral geconcentreerd langs de noordzijde van het hoger gelegen bos, langs de randen van het centrale graslandgebied. Langs de Paardenbeek vinden we enkele percelen met een alluviaal essen- olmenbos. Deze percelen worden af en toe door de beek overstroomd en in zeker mate beïnvloed door kwel. De boomlaag wordt gekenmerkt door Gewone es en zeer beperkt Olm. We vinden er ook Zwarte els, Gelderse roos , Kardinaalsmuts, Rode aalbes en Hazelaar. In de kruidlaag bemerken we typische planten zoals Dotterbloem, Kruipend zenegroen, Geel nagelkruid, Gewone engelwortel, Hondsdraf, Speenkruid en Ruwe smele. Eveneens aanwezig zijn Keverorchis, Boszegge, Ruige veldbies, Bleke zegge, IJle zegge, Muskuskruid, Wolfspoot, Moerasviooltje, Moeraswalstro en Bleeksporig bosviooltje.

Exotenbestrijding noodzakelijk
Het bosbeheer stond in het verleden uitsluitend ten dienste van jacht en houtproductie. In het natuurreservaat kan het nu afgestemd worden op de ontwikkeling van een structuurrijk bos waarin natuurlijke processen de hoofdrol spelen. Oud wordende bomen, dood hout, spontane schikking van soorten, terugdringen van agressieve exoten, dichten van de ontwatering ... staan hierbij voorop. Door de kapping van een groot aantal Amerikaanse eiken in 2005 kwam er heel wat dood hout in het bos en ontstonden er open plekken hetgeen op zijn beurt erg belangrijk is voor de biodiversiteit. De bestrijding van de agressieve Amerikaanse vogelkers vormde de voorbije jaren een hoofdprioriteit in het omvormingsbeheer. Door het ringen van een aantal exoten stierven deze bomen. Dit recht opstaand dood hout vormt een belangrijke niche voor vele dieren en zwammen.

Heischrale vegetaties zorgen voor een Kempens accent
Langsheen de Paardenbeek, en in het Heibos zelf, kwamen tot omstreeks 1990 enkele soortenrijke heideveldjes voor op verzuurd lemig substraat, met voor deze regio zeldzame plantensoorten als Veelbloemige veldbies, Pijpenstro, Pilzegge, Bleke- en Hazenzegge, Veldrus, Liggend hertshooi, Tormentil, Struikheide en Dopheide. Geografisch gezien is dit één van de zuidelijkste vindplaatsen van heidevegetaties in het Hageland en de Haspengouwse leemstreek. Op kwelplaatsen groeiden zelfs enkele soorten van het Kempisch laagveen zoals Sterzegge, Zwarte zegge, Moerasstruisgras, Waternavel en Knolrus. Op dezelfde plaats daarentegen groeide in de Paardenbeek een rijke en eerder kalkminnende vegetatie met Witte waterkers en Kleine watereppe. Dit was veruit de zuidelijkste vindplaats die in het Hageland kon worden aangetroffen. Het Heidebos is dus het Hageland op zijn best: veel variatie op een kleine oppervlakte! We zitten hier trouwens op de rand van de rijke Haspengouwse leemstreek waar deze vegetatie van voedselarme grond in feite ondenkbaar is. Voor de volledigheid dient er aan toe gevoegd dat ook in het stroomafwaarts gelegen (voorbij het gehucht Dries) ‘Schrabaardebos’ heide werd aangetroffen. Spijtig genoeg werden deze gebiedjes volgeplant met populier zodat de heide grotendeels verdrongen werd. Oude waarnemingen in dit grensgebied van het Hageland zoals Klokjesgentiaan, Heidekartelblad, Grote wolfsklauw en Welriekende nachtorchis duiden op de potenties voor waardevolle heischrale vegetaties in dit nog grotendeels voedselarm gebied. (Uit Prodrome de la Flore de Belgique, 1907)

Terug purper in het Heibos?
Een gedeelte van een pioniersbos van berken en amerikaanse eiken werd in 2001 , bij wijze van experiment, gedeeltelijk opengekapt en plaatselijk geplagd. Een aantal soorten van heischrale vegetaties kwamen hierdoor terug te voorschijn. We vermelden Pilzegge, Tormentil, Struikheide, Pijpenstro, Fraai hertshooi, Gewoon duizendguldenkruid , Bleke zegge, .. In 2005 werd het ‘heideperceel’ van ca. 20 aren volledig ontstronkt en geplagd. Een systematische omvormingsbeheer van het aangrenzende pioniersbos voorzien we voor de komende jaren.

Omvorming van soortenarme raaigrasweide
Het centrale grasland degradeerde de voorbije decennia door o.a. overbemesting en drainage tot een soortenarme raaigrasweide gedomineerd door Engels raaigras, Ruw beemd gras, Witte klaver en Kruipende boterbloem. De noordelijk gelegen graslanden behoren tot het zogenaamde ‘historisch permanent’ type en kennen een meer uitgesproken microreliëf. Tegen de boerderij aan bevindt zich een oude hoogstamboomgaard. Deze is momenteel in een vervalfase. Enkele bomen zijn reeds verdwenen, andere zijn aan het openvallen. Het bijhorende grasland is vergelijkbaar met het centrale grasland. De graslanden evolueren momenteel via een combinatie van een maai- en graasbeheer zeer geleidelijk naar bloemrijk grasland. Vele graslanden bieden uitzonderlijke perspectieven om geleidelijke overgangen van open vegetaties naar gesloten bos te realiseren. Het biologisch leven van dergelijke overgangssituaties komt in Vlaanderen nog nauwelijks aan bod. Nochtans zijn tal van insecten (vlinders!), vogels en kleine zoogdieren hieraan gebonden. Ook het landschap zal daardoor op termijn visueel heel wat aan waarde winnen. Bij de uitvoering van dit maaibeheer met nabegrazing. worden een aantal plaatselijke landbouwers sterk bij betrokken. Het resultaat van de voorbije drie jaren is nog niet spectaculair. Op verschillende plaatsen komt het grasland in de zogenaamde ‘witbol-fase’. Her en der vinden we soorten zoals Rode klaver, Veldzuring, Reukgras, Kamgras, Thijmereprijs, Bosveldkers en Pinksterbloem. Door de sterke waterfluctuaties in de bodem verwachten we tevens soorten van zilverschoongraslanden. De plaatselijke dominantie van Geknikte vossestaart wijst in deze richting.

Schrale kamgraslanden als referentie
Langs een gracht in het weiland centraal ten noorden van onze bospercelen vinden we nog een uitgesproken interessante graslandvegetatie. Deze soortenrijkdom geeft een aanduiding van de potenties van de weilanden. Reukgras, Margriet, Koekoeksbloem, Gewone veldbies, Liesgras, Brunel, Wilde bertram, Aardbeiganzerik, Knolboterbloem, Veldrus, Bosanemoon, Rode klaver en als grote bijzonderheid Spits havikskruid komen hier voor. De vegetatie is te rekenen tot het schrale kamgrasland.

Kleiwinningspoelen
Binnen het gebied van het Heibos zijn nog enkele poelen terug te vinden. In de hoogstamboomgaard bevindt zich de grootste veedrinkpoel. Vroeger kwam hier Kamsalamander voor, maar door het sterk opgedreven visbestand, in functie van de vissers, is die soort hier vermoedelijk verdwenen. In het centrale weiland kwamen vroeger enkele poelen voor, die recent gedempt werden. Het ligt in de bedoeling om deze poelen terug open te maken. De grote poelen, o.a. aan de Heyboshoeve en in het bosje aan de Wittebosstraat, zouden restanten zijn van vroegere kleiwinning voor veldovens.

Voormalige akkers
Verschillende percelen waren tot in 2002 in landbouwgebruik als akker. De doelstelling is deze percelen om te vormen tot kruidenrijk grasland met opslag van bomen en struiken. De tertiaire zandige bodem en de aanwezigheid van Brem en Valse salie in de rand van het bos laat vermoeden dat plaatselijk een bremstruweel kan ontwikkeld worden. De aanwezigheid van het bos langs de akkers zal ten dele de verstruiking en verbossing van deze percelen positief in de hand werken. De akkers werden ingezaaid met Italiaans raaigras en krijgen sinds 2002 een hooilandbeheer. Italiaans raaigras is een kortlevende grassoort, die na verloop van tijd ruimte laat voor het kiemen van andere natuurlijke soorten. Een ‘natuurlijk’ weidemengsel bevat immers veel genetisch streekvreemd materiaal. Na verschraling en meer openheid in de grasmat kan gekozen worden voor het eindbeheer. Het verschralingsbeheer beoogt uitbreiding van schrale vegetaties en Bremstruweel welke nu verspreid langs de bosrand voorkomt. Globaal gezien kan er gesteld worden dat, na voldoende afvoer van nutriënten, er daarna één groot begrazingsblok kan gevormd worden.

 Tekst: Jaak Geebelen

 Info: Jaak Geebelen,
016/76.60.16
jaakgeebelen@belgacom.net